Zijn narcisten ineens overal?
De afgelopen tijd viel mij iets op.
Vrijwel iedere week spreek ik wel iemand die mij vertelt over een voormalige partner die narcistisch was. Soms zelfs meerdere ex-partners achter elkaar. "Mijn ex was een narcist." "Daarvoor had ik ook al een narcist." "Eigenlijk trek ik steeds narcisten aan."
Na verloop van tijd begon ik mij daarover te verbazen.
Niet omdat ik twijfel aan de pijnlijke ervaringen die mensen hebben gehad. Integendeel. Sommige verhalen gaan over bedrog, manipulatie, gebrek aan empathie of emotionele verwaarlozing. Dat zijn ervaringen die diepe sporen kunnen nalaten.
Maar statistisch gezien klopt er iets niet.
De narcistische persoonlijkheidsstoornis is relatief zeldzaam. Onderzoek laat zien dat het gaat om slechts een klein percentage van de bevolking. Toch lijkt het soms alsof de helft van alle ex-partners uit narcisten bestaat.
Dat roept een interessante vraag op: Wat gebeurt hier eigenlijk?
Misschien heeft het iets te maken met de manier waarop psychologische begrippen hun weg hebben gevonden naar het dagelijks taalgebruik. Vroeger zei iemand: "Hij was egoïstisch." Nu zeggen we makkelijk: "Hij was een narcist."
Dat is begrijpelijk. Een label geeft immers houvast. Het maakt een ingewikkelde ervaring overzichtelijk. Het biedt een verklaring voor pijn, teleurstelling of verwarring. En soms is die verklaring ook terecht. Maar niet altijd. Want mensen kunnen egocentrisch, afstandelijk zijn, onvolwassen gedrag vertonen… zonder narcist te zijn.
Mensen zijn vaak minder pathologisch en meer menselijk dan wij zouden willen.
En misschien ligt daar nog een tweede vraag verborgen. Een moeilijkere vraag.
Niet alleen: “Waarom noemen we zoveel ex-partners narcistisch?” maar ook: “Waarom voelden wij ons aangetrokken tot en waren wij zo gevoelig voor deze persoon?”
Jung schreef ooit dat alles wat ons raakt in een ander, ons iets over onszelf kan leren. Let op! Dat betekent NIET dat slachtoffers verantwoordelijk zijn voor het gedrag van anderen.
Wél dat iedere relatie twee verhalen bevat: dat van de ander en dat van onszelf. Misschien is het daarom waardevoller om niet alleen te vragen: "Waarom trok ik een persoon met narcistische trekken aan?" Maar ook: "Waarom bleef ik zo lang hangen bij deze persoon?", "Welke behoefte maakte mij kwetsbaar?" en "Welk verlangen zorgde ervoor dat ik die duidelijke signalen negeerde?" Dat zijn minder comfortabele vragen. Maar vaak wel de vragen die tot groei leiden.
Want uiteindelijk beschermt niet het perfecte vermogen om ‘narcisten’ te herkennen ons tegen pijn. Wat ons beschermt is zelfkennis. Weten waar onze kwetsbaarheden liggen, wanneer verlangen sterker wordt dan onderscheidingsvermogen. En weten wanneer we onszelf beginnen te verliezen in de hoop door een ander gevonden te worden.
Misschien is dat wel de echte les. Niet dat de wereld vol ‘narcisten’ zit.
Maar dat duurzame relaties beginnen op het moment dat we net zo nieuwsgierig naar onszelf zijn als naar de ander.
